Geen gewone soldaat
In het jaar 334, dat is al meer dan duizend jaar geleden, leefde er een jonge soldaat in het rijk van de Romeinse Keizer. Zijn naam was Maarten. Op een koude winteravond reed Maarten op zijn paard met een groepje Romeinse soldaten door de heuvels van Frankrijk. Ze waren op weg naar de stad Amiens. Ze hadden haast, want het was al laat, de stadpoorten zouden gauw sluiten. Na de lange koude dag wilden de soldaten eindelijk uitrusten en zich warmen aan het vuur in de herberg. De mannen gaven hun paarden de sporen: ‘Vort, vort!’ riepen ze en hielden de teugels strak. Maar Maarten wilde zijn paard niet aanvuren. Het paard had hem de hele dag al gedragen en was moe, net als hij. ‘Ga maar vooruit,’ riep Maarten zijn vrienden na, ‘ik kom wel achter jullie aan.’ Rustig galoppeerde Maarten verder op weg naar de stad. Het werd langzaam donker en het begon dikke dikke sneeuwvlokken te sneeuwen. Gelukkig had hij een warme mantel, die zou hem wel droog en warm houden. Bij de stadspoort hield Maarten zijn paard stil. Gelukkig, hij zag het licht van de stad door de openstaande poort. Net toen hij zijn paard weer wilde aansporen, zag hij iets bewegen. In een hoekje verscholen in de dikke muur, zat een man. Het was een arme man, dat zag Maarten meteen. Hij zat gehurkt en had bijna niets aan. Hij rilde van de kou toen hij langzaam overeind kwam. Maarten keek de bedelaar, die nu zijn hand omhoog hield, aan. Hij wilde de man graag helpen en dacht na wat hij te geven had, want geld had hij niet bij zich. Toen wist hij wat hij kon doen. Hij trok met een zwaai zijn mantel van zijn schouders. De gure wind blies door zijn hemd. ‘Het vriest, arme man, kom laat me je helpen,’ zei Maarten tegen de man. Hij pakte zijn zwaard uit de schede en sneed met een flinke beweging de mooie mantel in twee stukken. Het ene stuk deed hij liefdevol om de schouders van de verkleumde bedelaar. Het andere stuk sloeg hij zelf weer om. Zonder zich verder te laten bedanken, gaf hij zijn paard de sporen en reed door de poort de stad in. Hij vond zijn vrienden in de herberg. Die hadden hun buik al rond gegeten en zaten elkaar nu dicht bij het vuur stoere verhalen te vertellen. Toen Maarten binnenkwam riepen ze: ‘Zeg, waar bleef je zo lang? We dachten al dat je verdwaald was in het donker!’ Maarten zei niets over de bedelaar en de mantel. Hij was blij dat hij dicht bij het vuur kon zitten. Die nacht had Maarten een droom. Hij zag de bedelaar voor zich, maar nu met het gezicht van Jezus. Jezus had de halve mantel van Maarten om zijn schouders. Er stonden engelen om Jezus heen. Jezus zei tegen de engelen: ‘Kijk dit is Maarten, hij heeft mij vandaag beschermd tegen de kou met zijn eigen mantel.’ Toen Maarten wakker werd, wist hij dat hij voortaan een helper van God wilde zijn. Hij ging leven in een klooster en werd later zelfs bisschop. Hij deed veel goeds voor de arme mensen. Hij kon zelfs mensen die erg ziek waren weer beter maken. Daarom noemden de mensen hem een heilige. En zo kreeg hij ook de naam Sint Maarten.
Verhaal uit H&A, thema Heilig (kerst 2008) – onderbouw door Simone Gerich
